Codex Aleppo Codex Alexandrinus Archaeological Study Bible Codex Sinaïticus Paulus' tweede zendingsreis

Codex Aleppo


Middeleeuws handschrift van de Hebreeuwse Bijbel (TeNaCh) uit de 10e eeuw. Geldt als het meest gezaghebbende Hebreeuwse Bijbeltekst.

Codex Alexandrinus


Eén van de oudste en meest volledige Griekse handschriften van de Bijbel (LXX en NT); dateert uit de 5e eeuw.

Archaeological Study Bible


Een aanrader: de Archeological Study Bible, te verkrijgen in verschillende Bijbelvertalingen. Complete Bijbel met archeologische achtergrondartikelen.

Codex Sinaïticus


Grieks handschrift van de Griekse Bijbel (LXX en NT) met het oudste volledige exemplaar van het Griekse Nieuwe Testament. Dateert uit de 4e eeuw.

Paulus' tweede zendingsreis


Detail van Paulus' tweede zendingsreis: de reis waarop hij voor het eerst voet op Europese bodem zette.
 

Aantekeningen bij Judas


Jud. 1 Wie is Judas?
Judas, een dienstknecht van Jezus Christus en broer van Jakobus (...)


In dit kleine bijbelboek is ene Judas aan het woord. De tekst vertelt ons slechts twee dingen van hem: dat hij een knecht van Jezus Christus is én een broer van Jakobus. Dat laatste gegeven licht een tipje van de sluier op, die over de identiteit van deze Bijbelschrijver ligt. De broers Jakobus en Judas komen wij immers twee keer in de evangeliën tegen (Matth. 13:55, Mark. 6:3).

In de Statenvertaling lezen we in Hand. 1:13 óók over een ‘Judas, de broeder van Jakobus’. In het Grieks wordt echter niet duidelijk dat het hier om een ‘broer’ gaat, want er staat letterlijk ‘Judas, van Jakobus’. Omdat er in het Nieuwe Testament nergens expliciet gesproken wordt over een Judas die een zoon is van Jakobus en wel over een Judas die een broer van Jakobus is, hebben de Statenvertalers gedacht dat het hier om dezelfde Judas moet gaan en daarom ‘de broer’ cursief toegevoegd. (Zie overigens ook Luk. 6:16, waar de Statenvertalers de genitief ‘Jakobi’ (= van Jakobus) gewoon hebben laten staan zonder iets toe te voegen.)
In het Nieuwe Testament gebeurt het vaker dat familierelaties simpelweg worden weergegeven met een genitief ‘van …’. Maar meestal gaat het hier over een ouder-kind relatie. Zo lezen we in Mark. 3:17 over ‘Jakobus, die van Zebedeüs’, waar de Statenvertalers terecht ‘zoon’ hebben toegevoegd, omdat we uit andere passages (o.a. Matth. 4:21) weten dat Zebedeüs de vader van Jakobus was. Vgl. Mark. 15:40, waar gesproken wordt over ‘Maria, de moeder van Joses’.

Het is dus niet duidelijk of de Judas uit Hand. 1:13 en Luk. 6:16 dezelfde is als Judas, de broer van Jakobus. Enerzijds is er het feitelijke gegeven dat een genitiefverbinding tussen twee namen in het Nieuwe Testament meestal (altijd?) een ouder-kind relatie aanduidt, wat pleit voor de interpretatie dat het hier om twee personen met dezelfde naam gaat. Anderzijds is er het feitelijke gegeven dat er nergens expliciet over een zoon van Jakobus gesproken wordt die Judas heet. Dat pleit ervoor om de Judas uit Hand. 1:13 en Luk. 6:16 te identificeren met Judas de broer van Jakobus uit Matth. 13:55 en Mark. 6:3. In mijn uitleg ga ik van deze tweede verklaring uit.


De genoemde teksten uit Mattheüs en Markus vertellen ons dat we in de briefschrijver Judas te maken hebben met een broer van de Heere Jezus zélf. Uit het huwelijk van Jozef en Maria zijn, blijkens Mark. 6:3, vier zonen en tenminste twee dochters geboren, die de halfbroers en –zussen van Jezus waren. Het is opmerkelijk dat Judas dat zelf helemaal niet vertelt. Hij zegt slechts dat hij een broer van Jakobus is. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat Jezus voor hem meer dan alleen een broer is: Judas erkent Jezus’ autoriteit en daarom noemt hij zichzelf een knecht van Jezus Christus. Dat is wel eens anders geweest, want de evangelist Johannes (Joh. 7:1-9) vertelt ons dat de broers van Jezus Hem helemaal niet geloofden. Integendeel, ze spotten met Hem en vonden dat Hij een grote mond had en in Judea maar eens moest waarmaken wat Hij allemaal zei. In de evangeliën lezen we niets over een omkeer in het denken van de broers van Jezus, maar in Hand. 1:14 (‘en met Zijn broers’) zien we hen na de hemelvaart van Jezus te midden van de apostelen en een aantal vrouwen, waar ze eensgezind volharden in het gebed en in het smeken, wachtend op wat God nu zal gaan doen. Mogelijk zijn ze op andere gedachten gebracht doordat Jezus Zelf aan hen is verschenen (vgl. 1 Kor. 15:7). Hoe dan ook, ondanks hun ongeloof tijdens Jezus’ bediening op aarde, zijn Zijn broers toch opgenomen in de kring van Jezus’ leerlingen en zijn ze zelfs als leidende figuren werkzaam geweest in Gods koninkrijk.

Dit weten we althans van Jakobus en Judas. Zo wordt van Jakobus gezegd dat hij een apostel was (Gal. 1:19) en een ‘pilaar’ van de christelijke gemeente genoemd werd. En Eusebius (Historia Ecclesiae ) vertelt ons dat hij als eerste opziener de gemeente van Jeruzalem diende en dat hij – om hem te onderscheiden van anderen met dezelfde naam – de bijnaam ‘de Rechtvaardige’ kreeg. En van zijn broer Judas weten wij dat hij een dienaar in Gods koninkrijk was, omdat hoogstwaarschijnlijk van hem onderhavig brief overgeleverd is. Of hij daarmee ook een apostel was, wordt door sommigen betwist. Zij zeggen dat hij zich niet voor niets alleen ‘knecht van Jezus Christus’ noemt en niet ook apostel, zoals Paulus dat wel doet (Rom. 1:1, Tit. 1:1). Bovendien lijkt hij zich in Judas vers 17 van de apostelen te onderscheiden. Als echter met de ‘Judas van Jakobus’ uit Hand. 1:13 de broer van Jakobus wordt bedoeld (zie boven, kleine letters), dan werd hij wel degelijk onder de elf apostelen gerekend. Het is dus niet helemaal duidelijk. Niettemin staat vast dat hij ons, namens God, een brief heeft geschreven en daarmee is hij hoe dan ook in een bepaald opzicht een gezant van God.